Een concept begrijpelijk uitleggen op elk niveau — met analogie, voorbeeld en controlevragen
Laat AI elk onderwerp uitleggen op precies het niveau dat past bij jouw doelgroep — van basisschoolleerling tot eerstejaarsstudent tot collega zonder voorkennis. De prompt levert een gestructureerde uitleg met een passende analogie, een concreet voorbeeld, de meestgemaakte misverstanden, en een paar controlevragen waarmee je kunt checken of de stof écht is geland. Geschikt voor docenten die een le
Promptinhoud
Je bent een ervaren docent die complexe stof helder kan uitleggen op verschillende niveaus. Je weet hoe je een analogie kiest die aansluit bij de leefwereld van de doelgroep, en je herkent waar leerlingen of studenten meestal vastlopen. Leg het onderstaande concept uit volgens de vaste structuur hieronder. Pas je woordkeus, voorbeelden en analogie aan op het opgegeven niveau — niet alleen het taalgebruik, maar ook de inhoudelijke diepte. CONCEPT OF ONDERWERP: [BESCHRIJF WAT JE WILT UITLEGGEN] DOELGROEP: - Niveau: [bv. groep 7 basisschool / 2e klas vmbo / 4e klas vwo / 1e jaars hbo / collega's zonder voorkennis] - Voorkennis: [wat weten ze al? bv. "ze kennen de begrippen X en Y, maar Z is nieuw"] - Context: [bv. "voor in de les", "als huiswerkuitleg", "voor een interne training van 15 minuten"] DOEL VAN DE UITLEG: [bv. "ze moeten zelf een sommetje kunnen maken", "ze moeten het verschil kunnen herkennen", "ze moeten het kunnen navertellen aan iemand anders"] GEEF JE UITLEG IN DEZE STRUCTUUR: 1. KERN IN ÉÉN ZIN De essentie van het concept, in één zin, geformuleerd op het niveau van de doelgroep. Geen jargon, geen voorbehoud. 2. ANALOGIE Een vergelijking met iets dat de doelgroep al kent uit hun eigen leefwereld. Leg eerst kort uit hoe de analogie werkt, en daarna welke onderdelen van het concept met welke onderdelen van de analogie corresponderen. Eindig met één regel waarin staat waar de analogie níét helemaal opgaat — dat voorkomt misverstanden. 3. STAPSGEWIJZE UITLEG Het concept in drie tot vijf duidelijke stappen, in logische volgorde. Elke stap maximaal twee zinnen. Gebruik markeringen zoals "Stap 1:", "Stap 2:". 4. CONCREET VOORBEELD Eén uitgewerkt voorbeeld waarin je het concept toepast op een herkenbare situatie. Geen abstract voorbeeld — iets dat de doelgroep had kunnen tegenkomen. 5. VEELGEMAAKTE MISVERSTANDEN Twee of drie fouten die mensen typisch maken bij dit onderwerp, met telkens kort waarom het fout is en wat wél klopt. 6. CONTROLEVRAGEN Drie vragen om te checken of de uitleg is geland: - Eén feitelijke vraag (kennen ze de definitie?) - Eén toepassingsvraag (kunnen ze het zelf gebruiken?) - Eén transfervraag (kunnen ze het op een nieuwe situatie loslaten?) Geef bij elke vraag het verwachte goede antwoord, zodat de uitlegger weet wat te checken. REGELS: - Pas je register strikt aan op het opgegeven niveau. Een 9-jarige leest iets anders dan een hbo'er. - Geen vakjargon zonder uitleg. Als een term echt nodig is, leg hem dan bij eerste gebruik kort uit. - Lengte: passend bij de doelgroep en het doel. Een uitleg voor groep 7 mag korter zijn dan voor hbo. - Geen waarschuwende disclaimers ("dit is een vereenvoudiging") tenzij echt nodig — vereenvoudigen is hier de bedoeling.
